Mobiel

Zoeken

Panel inhoud

Dat wie doe sa

Carol Jacobson - De Voogd

Geplaatst op 21 maart 4:59 minuten leestijd

Taal is heel belangrijk om een vertrouwensband op te bouwen

Carol Jacobson-de Voogd is sociaal psychiatrisch verpleegkundige bij BuurtzorgT in Drachten. Toen zij zo’n drie jaar geleden met haar partner besloot te verhuizen van Den Haag naar Friesland, meldde ze zich onmiddellijk aan voor een online cursus Fries. Eerder dan dat ze de huissleutel van haar nieuwe huis had, sprak ze daardoor enkele woorden Fries.  

‘Waar je in de wereld ook gaat wonen, je moet de taal van daar leren wil je er goed ingeburgerd raken’, is haar overtuiging. ‘Toen ik hier bovendien ook ging werken, dacht ik, dan moet ik het nóg beter leren spreken, zodat ik ook gewoon m’n werk kan doen in het Fries.’   

Volgens Carol is taal heel belangrijk in het contact tussen hulpverleners en patiënten. Het leren van de Friese taal was voor haar daarom een vanzelfsprekende investering om het werk als sociaal psychiatrisch verpleegkundige in Friesland goed te kunnen doen. ‘Het gaat bij ons vooral om een vertrouwensband opbouwen’, verklaart ze. ‘Dat lukt mensen toch makkelijker in hun eigen taal.’  

Betekenis van Taal 

In de dertig jaar dat ze in de psychiatrie werkt, is Carol zich zeer bewust geworden van de betekenis van taal. ‘De psychiatrie is een ingewikkeld vak. Het gaat over gevoelens, over gedrag dat mensen nauwelijks tot niet begrijpen en waar je woorden aan moet geven. Dat is moeilijk genoeg in je eigen taal, en als je dat moet doen in een taal die niet je moedertaal is, is dat nog ingewikkelder. Er zitten belangrijke kleine nuances in woordkeuzes over gevoelens. Die mis je als mensen niet in hun moedertaal kunnen praten.’  

In Den Haag werd Carol als behandelaar geregeld bijgestaan door een tolk om patiënten beter te begrijpen. ‘Soms hadden die wel wat weerstand tegen het gebruik van een tolk. Maar als die erbij is, kom je vaak ineens achter een heleboel nieuwe informatie. Dingen die mensen eerst niet konden uitdrukken, terwijl ze best wel aardig Nederlands konden en je dacht dat je best wel een gesprek met ze kon voeren. Tegelijk is werken met een tolk ook belemmerend.’  

Als ze langer met een taal te maken heeft voor haar werk, leert Carol het liefst zelf die taal goed. ‘In 2019 heb ik drie maanden op Aruba gewerkt, ook in de psychiatrie. Daarvoor heb ik Papiaments geleerd. En ik heb in Indonesië gewerkt, voor een mensenrechtenorganisatie. Dat brein van mij is dus wel gewend talen te leren.’   

Je best doen 

Carol merkt onder meer dat patiënten ontvankelijker zijn voor wat een behandelaar te zeggen heeft wanneer ze in hun eigen taal benaderd worden. ‘Ik had bijvoorbeeld een man die alleen Spaanstalig was. In de verwijsbrief van de huisarts stond dat hij al vijf keer was verwezen naar de GGZ en nooit goed in behandeling gekomen was. Hij sprak niet goed Nederlands en stopte telkens met de behandeling. Het was ook iemand uit een cultuur waar schaamte een grote rol speelt, die moeite had met autoriteit en wat achterdochtig was. Dus hij wilde geen tolkentelefoon gebruiken. Hij zei: “Ik begrijp jou toch in het Spaans, en jij begrijpt mij toch? We hebben geen tolk nodig.” Toen zei ik: “Oké, ik begrijp je goed genoeg en we proberen het gewoon in het Spaans.” Dat haalde een afstand weg. Daardoor ging hij mij helpen, waren we meer gelijkwaardig en dat heeft gemaakt dat ik een hele goede band met hem kon opbouwen. Het doet mensen iets dat je je best doet om hun taal te spreken, en dat merk ik erg in Friesland; het is ook een signaal van: ik ben bereid mij aan te passen en erken de eigenheid van de cultuur. Daardoor krijg je makkelijker ingang.’  

Ideale wereld 

Carol vraagt iedere nieuwe patiënt vooraf in welke taal die het gesprek wil voeren. ‘Vaak ga je met een collega op intake. Als ik met een Friestalige collega ga, is het vaak in het Fries. Als de collega niet Friestalig is, doe je de intake sowieso in het Nederlands. Maar als ik daarna alleen kom, vraag ik alsnog: wil je het ook liever in het Fries? En dan zeg ik altijd: het is niet mijn moedertaal, ik maak foutjes. Je mag me uitlachen, verbeteren. Dat maakt niet uit.’  

Fries met ‘flaters’ erin of niet, passieve en actieve beheersing van het Fries komen echt van pas, illustreert Jacobson met een mooi voorbeeld. ‘Een vrouw zat wat te twijfelen. Onze psychiater was erbij, dus het gesprek ging in het Nederlands. Het ging over een behandeling of zo. Die vrouw zegt: “Ik zie dat niet zo zitten.” “Waarom niet?”, vroeg ik. “Is het zo dat je er niet zoveel zin in hebt of zeg je eigenlijk: it griist my oan.” “Ooo!”, zegt ze. “Dát!” Die non-verbale reactie, dat was zo grappig. Ja, dát. It griist my oan. Bijna opluchting. Als je in het Nederlands zegt: ik zie het niet zitten, kan dat ook betekenen dat je het te veel gedoe vindt. Bij “it griist my oan” zie je er echt enorm tegen op.’  

Volgens Carol is er in opleidingen niet veel gerichte aandacht voor de rol van taal in contact met patiënten. Naar haar beeld verdient echter maatschappijbreed het belang van taal meer erkenning.  

Of de invloed van taal in haar werk en team op waarde geschat wordt? Carol ziet daar verschil in. ‘De echte Friezen die wij in het team hebben, zijn zich er zeer van bewust en zeggen ook: een volbloed Fries moet een Friese behandelaar hebben. Andere collega’s hoor ik er niet zo over. Zij zeggen: ik versta Fries, dus mensen mogen Fries spreken tegen me.’ Carol benadrukt dat het in de praktijk onmogelijk is elke moedertaalspreker van het Fries te koppelen aan een behandelaar die vloeiend Fries spreekt. ‘In een ideale wereld zouden mensen zeggen: ik wil een Friestalige behandelaar. Maar met de lange wachtlijsten van tegenwoordig zijn mensen al blij dat er iemand komt.’  

Troch: Tsjomme Dijkstra

Klik hier voor de Friese vertaling van dit artikel (PDF).